Vorige Loulou Truijen: ‘vliegende kiep’ voor extra HPP-slagkracht
Als CEO van trouwe HPP-deelnemer JAJO staat Ivo van der Mark aan het roer van een veelzijdige bouw- en vastgoedgroep die vrijwel de hele keten bestrijkt. In dit interview vertelt hij hoe zijn achtergrond hem gevormd heeft, waarom hij leiderschap ziet als een balans tussen vooroplopen en beschermen, en hoe hij vertrouwen en eenvoud als sleutel hanteert in de omgang met mensen. Van de lessen uit Nyenrode en INSEAD tot de praktische vertaling van circulariteit via LAB100: Van der Mark benadrukt telkens hetzelfde uitgangspunt – niet blijven hangen in plannen, maar samen “werkende weg” leren en bouwen aan duurzame vooruitgang.
Door Edwin Venema
HPP: U staat aan het hoofd van een netwerk van diverse ondernemingen – door uzelf weleens aangeduid als “speedbootjes” – die onder de paraplu van JAJO opereren. De activiteiten bestrijken het gehele spectrum van de bouw- en vastgoedketen: van ontwikkeling, innovatief bouwen, onderhoud en herstel tot het circulair oogsten van materialen in plaats van traditioneel slopen. U ziet diversiteit als een kracht en beschikt over een heldere visie op circulair bouwen. Wat beschouwt u als de essentie van uw leiderschap?
IvdM: Deze introductie roept bij mij gevoelens van trots op, maar voelt ook wat onwerkelijk aan. Ik ben afkomstig uit een gemiddeld gezin in Vlaardingen. Mijn vader werkte als directeur bij een basisschool, mijn moeder was werkzaam bij KPN. Mijn achtergrond zou je ‘alledaags’ kunnen noemen en ik zie mezelf nog steeds als onderdeel van een groep, waarbij verhevenheid niet bij mij past. Ik voel een duidelijke verantwoordelijkheid voor een organisatie en vind het belangrijk daar een actieve rol te vervullen. Dit uit zich onder andere in een bovengemiddeld vertrouwen dat ik stel in mensen. Hoewel dit niet altijd goed uitpakt, merk ik dat deze benadering vaak leidt tot betrokkenheid en het gevoel van zelfvertrouwen bij anderen om te handelen, aan te pakken.
HPP: Je roots kies je niet uit, maar ze zijn medebepalend voor hoe je in het leven staat…
IvdM: Zeker. Ook bij JAJO zie je dat mensen uit allerlei achtergronden komen. Ik heb autodidactisch geleerd en mijn eigen visie ontwikkeld. In mijn organisatie werken zowel ongeletterde als praktisch ingestelde mensen; anderen zijn juist academisch of vragen altijd naar het waarom. Daarom vind ik het belangrijk om duidelijk en begrijpelijk te communiceren, zodat iedereen het kan navertellen. Als een collega thuis moet uitleggen wat er op het werk is besproken, moet dat eenvoudig en herhaalbaar zijn. Maak het dus niet complex.
HPP: Deze benadering sluit goed aan bij de Rijnmondse mentaliteit: niet praten, maar doen. Of beter: niet lullen, maar bouwen. Tegelijkertijd zegt dit ook iets over uw leiderschapsstijl. Dit vraagt behalve om duidelijk communiceren ook om aandacht voor strategische visie op leiderschap. Hoe zorgt u ervoor dat al uw ‘speedbootjes’ bij JAJO samen niet slechts individuele initiatieven vormen, maar daadwerkelijk als een vloot opereren? Dat stelt onmiskenbaar eisen aan uw leiderschap.
IvdM: Het is belangrijk om een aantal kernaspecten te definiëren die de organisatie richting geven. Wij hebben dit onder meer uitgewerkt in drie kernwaarden: lef, oplossingsgericht en samen(werking). Deze waarden vormen het gedeelde DNA van onze groep en kunnen eventueel worden aangevuld met specifieke kenmerken per cluster. Ook bij het aannemen van nieuwe medewerkers hanteren we deze leidraad. In de tijd dat ik algemeen directeur Bedrijfshuisvesting binnen JAJO was, voerde ik persoonlijk alle eerste sollicitatiegesprekken; In de eerste ronde beoordeelde ik vooral of iemand past binnen onze organisatiecultuur. Vervolgens werd door anderen gekeken naar de vakinhoudelijke kwaliteiten van de kandidaat, aangezien dit beter beoordeeld kan worden door specialisten.
We streven ernaar teams te bouwen waarin karakters aansluiten bij onze kernwaarden. Daarbij letten we bijvoorbeeld op taalgebruik: spreekt iemand vaak in termen van ‘ik’ of juist ‘wij’? Dit geeft inzicht in hun houding, zonder dat hier direct een waardeoordeel aan verbonden is. Afhankelijk van de functie kunnen verschillende eigenschappen gewenst zijn –commercieel werk vereist weer andere kwaliteiten dan financieel-administratieve functies.
Het tonen van lef en het effectief inzetten van ieders kwaliteiten zijn essentieel. Metaforen, zoals uit de voetbalwereld, gebruik ik regelmatig in mijn communicatie en leiderschap. Niet omdat ik een fervent voetbalfan ben, maar omdat dergelijke beeldspraak helpt situaties te verduidelijken. Bijvoorbeeld: als je een bal krijgt aangespeeld, kun je deze actief aannemen of ontwijken. Je bepaalt dus zelf hoe je hiermee omgaat. Belangrijk is dat je realistisch blijft, beseft dat niet alles perfect kan verlopen, maar wel verantwoordelijkheid neemt.
Mijn managementstijl richt zich op het behalen van een 8 als resultaat; dit impliceert dat er tolerantie is voor afwijkingen. Ik vind het cruciaal om comfort te bieden rond het idee dat afwijkingen voorkomen in de organisatie en dus haar te trainen in het adequaat omgaan hiermee. Echt niet alles wat wij aanraken verandert in goud. De kracht van de organisatie ligt uiteindelijk in de mate waarin je met afwijkingen weet om te gaan.
HPP: Ik wil graag even ingaan op jullie recente initiatief, LAB100 (zie kaderstuk 1, red.). Dit zegt volgens mij niet alleen iets over de organisatie, maar ook over uw leiderschap: u hebt ambities en neemt graag het initiatief. Kun u daar meer over vertellen?
IvdM: De filosofie achter LAB100 is om vooruitgang te boeken op het dossier verduurzaming en circulariteit door middel van kennisdeling. Het onderwerp is complex en wordt vaak abstract benaderd, wat begrijpelijk is. Hoewel conceptueel denken waardevol is, leidt dit er soms toe dat organisaties zoals de onze onvoldoende in beweging komen. Veel medewerkers, evenals ondernemers, geven aan dat het concept goed en interessant is, maar vragen vervolgens concreet: “Wat gaan we doen?” Het bepalen van de vertaalslag van zo’n concept naar de praktijk is dan essentieel.
LAB100 is in dit opzicht bijzonder interessant omdat het de vertaalslag daadwerkelijk faciliteert. Na een zorgvuldige afweging wordt er, zodra het concept helder is, ook daadwerkelijk actie ondernomen. We merken dat we tijdens de uitvoering in korte tijd veel leren; zowel successen als knelpunten worden zichtbaar. Tegelijkertijd fungeert deze aanpak met een steile leercurve als een proof of concept richting de markt voor werkbare oplossingen.
In de afgelopen jaren hebben wij bijvoorbeeld initiatieven genomen op het gebied van houten bedrijfshuisvesting, met name houten kantoorgebouwen. Inmiddels hebben we zo’n tien gebouwen gerealiseerd, waarbij elk nieuw project verbeteringen laat zien ten opzichte van het vorige. Deze leercurve is noodzakelijk om niet in de conceptuele fase te blijven hangen. Dit leerproces is diep verankerd in onze eigen kernwaarden en diezelfde werkwijze passen wij ook toe richting onderaannemers en leveranciers.
LAB100
De bouwsector staat voor grote uitdagingen: de beschikbaarheid van grondstoffen neemt af, regelgeving zorgt voor vertraging en de markt vraagt om meer zekerheid. Om hiermee om te gaan is JAJO LAB100 gestart.
LAB100 staat voor Leiderschap, Acceleratie en Bouwvernieuwing. Het initiatief brengt honderd pioniers en strategische partners samen met als doel de toekomst van circulair bouwen vorm te geven. In verschillende sessies is onderzocht hoe de sector gezamenlijk verandering kan realiseren. Daarbij zijn ideeën en acties verzameld die direct toepasbaar zijn om verduurzaming in projecten te versnellen.
Uit dit proces zijn vier zogenoemde ‘versnellers’ gekozen: de meest genoemde en kansrijke acties om de transitie richting circulair bouwen te ondersteunen. Deze zijn uitgewerkt in een manifest: geen uitgebreid rapport, maar een korte en duidelijke belofte die richting geeft aan vervolgstappen in de sector (en binnenkort openbaar gemaakt).
Met LAB100 wil JAJO samen met partners een bijdrage leveren aan het versnellen van duurzaam en circulair bouwen.
HPP: Ik zie duidelijke overeenkomsten tussen uw filosofie en die van HPP, zoals ook oprichter en directeur Christa Thijssen altijd benadrukte: goed contact en vertrouwen leiden tot uitwisseling en vaak ook tot resultaten, al lukt het soms niet direct. HPP zag zij altijd meer als een “doe-tank” dan een “denk-tank” sec. Je moet gewoon beginnen en leren tijdens het proces, zonder eindeloos te wachten op uitgewerkte plannen. Ik noem dat zelf “werkende weg”.
IvdM: Dat klopt. Ik denk dat “werkende weg” een treffende omschrijving is van deze situatie. Vaak bestaat de neiging om alle variabelen te willen weten en controleren. Een belangrijk aandachtspunt is echter dat, naarmate het proces vordert, er steeds nieuwe variabelen opduiken. Zodra men het ene vraagstuk heeft aangepakt, dient zich alweer het volgende aan.
HPP: U bent al op 39-jarige leeftijd benoemd tot CEO. Welke beslissingen die u destijds heeft genomen, blijven vandaag de dag nog altijd relevant voor u? Gaat het daarbij om de eerdergenoemde aspecten?
IvdM: Het is belangrijk om dicht bij jezelf te blijven; dat vormt volgens mij de basis van succesvol leiderschap. In mijn visie bestaat leiderschap uit twee belangrijke componenten: richting geven en zorg dragen voor het team. Richting geven betekent krachtig vooroplopen en verantwoordelijkheid nemen, wat ik vergelijk met het voortouw nemen in uitdagende situaties.
Daarnaast omvat leiderschap ook een zorgende rol, waarbij je de medewerkers ondersteunt en soms beschermt tegen hun eigen valkuilen. Het gaat er niet alleen om advies te geven of richting aan te wijzen, maar ook om ruimte te laten voor eigen ervaringen en ontwikkeling, zelfs wanneer beslissingen wellicht niet optimaal lijken.
Verder is interne gedragenheid essentieel voor effectief leiderschap. Dit houdt in dat integriteit en betrouwbaarheid centraal staan, waardoor draagvlak behouden blijft, zelfs als bepaalde besluiten achteraf onjuist blijken. Leiderschap vereist dus consistent handelen vanuit eigen waarden en overtuigingen. Hier denk ik regelmatig over na bij het nemen van belangrijke beslissingen, steeds met de afweging of deze passen binnen mijn persoonlijke normen en waarden.
HPP: Kunt u een mispeer of misrekening herinneren uit uw beginperiode als CEO?
IvdM: In alle eerlijkheid had ik aanvankelijk tijd nodig om te wennen aan deze functie. In het begin heb ik een coachingtraject gevolgd ter ondersteuning bij mijn start als CEO. Je hebt weliswaar de ambitie om deze positie te bekleden, maar pas wanneer je daadwerkelijk in die rol stapt, ontdek je wat er echt bij komt kijken. Hoewel ik me nog steeds verbonden voel met het team, vraagt een leidinggevende functie echter om een zekere mate van acceptatie en het nemen van verantwoordelijkheid. Wanneer die houding ontbreekt, merken medewerkers dat onmiddellijk. Je ontkomt er niet aan: collega’s verwachten dat jij als leider het initiatief neemt; gaan we naar links, rechts of middendoor?
Achteraf realiseer ik me dat ik op sommige momenten proactiever had kunnen optreden. Een waardevolle les die ik van mijn coach heb meegekregen, is het belang van zelfbewust leiderschap. Hij adviseerde mij om dagelijks, tijdens het tandenpoetsen voor de spiegel, aan mezelf te bevestigen: “Ik ben het, ik ben het, ik ben het.” Op die manier word je je meer bewust van de rol die je hebt te vervullen. Ondanks de wens om gewoon deel uit te maken van het team, zijn er momenten waarop zichtbaar leiderschap noodzakelijk is. Het is essentieel, want het vertrouwen en de stabiliteit binnen het team worden mede hierdoor gedragen.
HPP: In theorie is het duidelijk. U heeft een brede en grondige opleiding gevolgd, zoals Nyenrode en INSEAD. Het toepassen van leiderschap in de praktijk vereist echter dat de rol die u vervult aansluit bij uw persoonlijkheid. Dat is een relevante constatering.
IvdM: Ik moet zeggen dat ik het interessant vond, als ik terugdenk aan die opleidingen. Inhoudelijk zitten daar natuurlijk veel elementen in, maar minstens zo interessant is het om in zo’n peer group te zitten. Om te zien: hoe werkt dat eigenlijk, dat gedrag in een groep van peers? Dat vind ik fascinerend om te observeren.
Ik merk bij mezelf ook dat ik ervan hou om dingen niet te groot te maken. Dingen zijn gewoon zoals ze zijn, en het ene is niet groter of belangrijker dan het andere. Iedereen heeft een rol in zijn leven, en ik ben toevallig CEO. Maar een metselaar in de bouw is net zo essentieel — misschien wel essentiëler dan een CEO, eerlijk gezegd.
Wat je bij opleidingen als Insead en Nyenrode vaak ziet, is dat er ook veel deelnemers uit grote organisaties komen. Ook dat is leerzaam. Uiteindelijk blijft voor iedereen – of je nu bij een grote of kleinere organisatie werkt – duidelijk en begrijpelijk met elkaar communiceren echt een uitdaging.
HPP: Uw organisatie bedient vrijwel de gehele de bouw- en vastgoedketen. Waar zit volgens u de meeste waardecreatie: in het ontwikkelen, het bouwen, het onderhouden, het restaureren, of toch in het circulaire oogsten (als alternatief voor gewoon slopen)?
IvdM: Nou, ik denk dat de grootste toegevoegde waarde eigenlijk — en dat is misschien altijd al zo geweest — vooral zit in het feit dat je je brede ketenkennis nu integraal kunt delen. Doordat je al die disciplines in huis hebt, krijg je eigenlijk een veel integraler beeld van vastgoed.
De grootste uitdagingen in de markt, zeker in Nederland, liggen vooral bij het aantal beschikbare posities. En juist daardoor is bijvoorbeeld onze ‘oogst-activiteit’ ook belangrijk. Zij maken vaak ruimte voor iets nieuws.
Maar richting onze opdrachtgevers is vooral de bouw interessant. Want die heeft de neiging om heel erg in een segment te opereren. Zo kan ik uit eigen ervaring zeggen: ons onderhoudsbedrijf is echt een totaal ander bedrijf dan een nieuwbouwbedrijf. Dat heeft me altijd gefascineerd. Je bent met z’n allen bezig aan hetzelfde object en toch blijven dat op de een of andere manier heel verschillende werelden.
HPP: Silo’s? Maar er moeten wel loopbruggen tussen komen, want zonder synergetische effecten doe je natuurlijk iets niet goed…
IvdM: Zeker, die synergie is er ook. Een voorbeeld: bij een nieuwbouwproject zijn de realisatiekosten en de onderhoudskosten over 20 of 25 jaar ongeveer gelijk. Dus als het gaat om een kantoorgebouw, betekent dat dat er misschien wel veel meer te halen is in de exploitatie dan in het steeds verder drukken van de realisatiekosten. Dat spreekt ook investeerders aan, want voor hen is de realisatiefase de eerste 9 of 12 maanden maar een klein deel van de hele investering. Daar is dus veel te winnen.
Daarnaast vind ik het belangrijk dat wij alle fases aan opdrachtgevers kunnen bieden en dat dit integraal inzicht biedt. Het gaat niet alleen om korte sprintjes, maar om integrale huisvesting. We maken onderdeel uit van de hele keten van woningen of bedrijven.
Wat ik zelf interessant vind, is om te kijken naar zaken als job rotation. We zetten daar nu de eerste stappen in. Mensen die een aantal jaren in het ene segment hebben gewerkt, proberen we te verleiden om een carrière-uitstap te maken naar een ander segment. Dat geeft een ander perspectief, en ik denk dat de hele sector daar beter van wordt. En dat sluit ook aan bij de kracht van een langetermijnvisie op vastgoed.
HPP: U kiest dus duidelijk voor een integrale visie die afwijkt van het silo-denken en kortetermijnprikkels. Een belangrijk thema daarin is circulair bouwen. Veel bedrijven roepen wel dat ze duurzaam zijn, maar hoe veranker je circulariteit en urban mining concreet in processen als inkoop, ontwerp en contracten?
IvdM: We beginnen natuurlijk met een intrinsieke motivatie: het zien van de noodzaak om actie te ondernemen. Als je kijkt naar waar we ooit begonnen, dan ging het vaak over ‘duurzaamheid’. Dat kreeg al snel de betekenis van maatschappelijk groen: het levert niks op, maar het is wel goed voor het imago. Dat is eigenlijk een onhoudbaar model. Daarom hebben we die term vervangen door sustainability. Dat begrip gaat namelijk niet alleen over duurzaamheid, maar ook over continuïteit en houdbaarheid.
Vanuit die filosofie moet je vervolgens kijken: wij hebben gemiddeld meer dan 80 projecten tegelijk in Nederland lopen. Natuurlijk kun je af en toe iets experimenteel doen, een pilot draaien, maar daarmee bereik je onvoldoende. Je moet beginnen met basiselementen die je standaard maakt. Zie het als een volumeknop: je begint op een basisniveau en bouwt dat stap voor stap uit. Af en toe voeg je daar een experiment aan toe. Zo breng je intern langzaam de standaarden omhoog.
We hebben onszelf bijvoorbeeld als doel gesteld om in 2028 in de eigen bedrijfsvoering CO₂-neutraal te zijn. Analytisch gezien kun je dat proces opdelen in drieën. De eerste 33% is laaghangend fruit: dat levert vaak direct geld op en betekent dus gewoon een besparing. De volgende 33% vraagt om een businesscase of een duidelijke managementbeslissing, zoals de overstap naar elektrisch rijden. Het laatste deel is het moeilijkst: dat zijn zaken die nog niet rendabel zijn, grote investeringen vergen of misschien nog helemaal niet kunnen. Daar moet je dus oplossingen omheen bouwen.
Door daar intern voortdurend aandacht voor te hebben — via dashboards en met de omarming van de CSRD, waarin we heel ver zijn — maak je die ontwikkeling concreet. CSRD gaat echt niet meer weg. De context van onze business is misschien wat veranderd, met tekorten aan materialen en veranderingen in de markt, maar die ontwikkeling wordt zeker niet minder. Je kunt je daar beter in schikken dan je ertegen verzetten. Ja, CSRD brengt administratieve lasten met zich mee, maar dan kun je er in elk geval voor zorgen dat je er zoveel mogelijk profijt van hebt. Draai het eens om: het is net als met jaarcijfers — die zijn er ook elk jaar.
HPP: Nou ja, je kunt CSRD zien als een vervelende compliancedrempel waar je overheen moet. Maar je kunt ook zeggen: het beïnvloedt ons denken over circulariteit en duurzaamheid enorm.
IvdM: Helemaal eens. Als je CSRD alleen als last ziet, loop je de hele dag met zand in je zakken. Maar als je erdoorheen kijkt en je afvraagt: wat levert dit mij eigenlijk op, dan wordt het anders. Het biedt je duidelijke inzichten in waar je als bedrijf het verschil kunt maken op korte en lange termijn.
Het tweede punt is: hoe krijg je in een organisatie draagvlak voor zoiets ogenschijnlijk abstracts als CSRD? Daar moet je goed over nadenken. Wat zijn zaken waar mensen zelf invloed op hebben? Dat spreekt hen aan. En hoe maak je dat concreet en reproduceerbaar?
Zoals ik eerder zei: iemand moet thuis kunnen komen en kunnen vertellen: “CSRD? Dat betekent voor mij dat ik elektrisch rijd, mijn afval scheid en dat we op de bouwplaatsen zoveel mogelijk duurzame en circulaire materialen gebruiken.” Als iedereen zulke stappen zet, levert dat samen enorme winst op.
HPP: Die laatste 33% betekent dat je uit je comfortzone komt en het vaak wat abstracter wordt. Dan moet je je organisatie daarin meenemen, en daar is ook durf voor nodig. En geen cynisme, wat een bekende reflex is. Volgens mij bent u een enthousiaste oer-optimist.
IvdM: Ja, dat klopt, zeker. Ik denk ook dat iedereen zijn eigen rol heeft. Er zijn al genoeg mensen, zeker in de media, die sceptisch reageren. Zelf schrijf ik ook een blog, waarin ik altijd een element probeer te pakken waarvan ik denk dat het waardevol is om dat te belichten. Soms zit er ook iets kritisch in, maar ik probeer het vooral te koppelen aan iets waar iedereen zich in kan herkennen.
De reden dat ik die positieve insteek kies, is dat het daardoor bereikbaar wordt voor een groot publiek. Je hoeft geen bergen te verzetten; je kunt gewoon beginnen met de basis. Wij geven bijvoorbeeld veel advies richting LAB100. Vroeg of laat krijgen zij hier ook allemaal mee te maken. En ja, mensen kijken daar vaak erg tegenop. Mijn advies is dan: doe niet aan overpromising. Leg de lat op een niveau waarvan je denkt dat het haalbaar is. Het succes dat je dan behaalt, werkt veel stimulerender dan wanneer je de ambities te hoog stelt.
HPP: U benadrukt vaak dat de sector zelf de regie moet houden, op organisatieniveau én sectorniveau, met initiatieven als LAB100. Maar tegelijkertijd is de overheid een onmisbare partner, terwijl die vaak als onbetrouwbaar en onvoorspelbaar wordt gezien. Hoe kijkt u naar die relatie met de overheid: hindernis of partner in crime om echt verder te komen?
IvdM: Ik denk dat je eerst moet kijken naar wat eigenlijk de rol van de overheid is. De overheid hoeft geen winst te maken. De primaire taak is de continuïteit van Nederland bewaken en de samenleving zó reguleren dat we in goede samenhang met elkaar kunnen leven.
Wat je nu ziet, is dat ministersposten vaak worden ingevuld door mensen met weinig kennis van de sector. Mijn advies zou zijn om weer leiders te benoemen die tenminste bekend zijn met het vak waarvoor ze verantwoordelijk zijn. Iemand leidt eerst het ene departement en krijgt daarna te horen: “Je hebt financiën een tijdje gedaan, dan kun je volkshuisvesting vast ook wel doen.” Dat is toch best vreemd.
Daarnaast vind ik het belangrijk om politici veel meer te bevragen op de lange termijn, en niet alleen op hun eigen, vaak steeds korter wordende, horizon. Dat heb ik ook geprobeerd via HPP.
HPP: Wat kunnen wij daar nu zelf aan doen? Hoe zouden we dat proces positief kunnen beïnvloeden?
IvdM: Ik denk dat de belangrijkste bijdrage is dat we onze overheid helpen om tot een langetermijnvisie te komen. Dat betekent dat we in onze vraagstelling en in het gesprek met politici steeds weer terug moeten komen op die richting. Wat we nu nodig hebben, is stabiliteit.
Nu zie je dat er in korte tijd allerlei maatregelen worden genomen: eerst een beperking van de sociale huur, daarna regulering van de middenhuur. Ik begrijp misschien de achterliggende gedachte, maar op deze manier loopt het systeem vast.
Daarom heb ik een aanbeveling: als je als politiek besluit om in de markt te reguleren, zet daar ook een termijn op. Zo’n regulering kan prima tijdelijk zijn, passend bij de situatie van dat moment. Stel bijvoorbeeld dat je de regulering van de middenhuur vijf of tien jaar laat gelden, dan creëer je een heroverwegingsmoment. Nu zit je met een voldongen feit. Er is geen weg terug, en als je dat toch wilt, moet je ineens allerlei partijen compenseren. Daarmee zet je jezelf enorm klem.
Daarnaast denk ik dat we in onze sector zelf ook meer verantwoordelijkheid kunnen nemen. Ik heb wel eens geprobeerd — ik noem geen namen — om mensen uit ons vak te stimuleren zich kandidaat te stellen voor een politieke functie. We zouden er echt bij gebaat zijn als er mensen op zulke posities komen die de sector en de inhoud goed kennen.
Verder zou invloed op de effectieve tijdbesteding van de politici uiterst wenselijk zijn. Ik volg af en toe een Kamerdebat; je kunt er heerlijk bij in slaap vallen. Je doet je ogen even dicht, je doet ze weer open, en het gaat nog steeds over hetzelfde. Maar soms kijk ik ernaar en denk ik: als je deze discussies nu eens in de helft van de tijd zou voeren, en de andere helft zou gebruiken voor een breder gesprek. Niet zozeer met belanghebbenden, maar met echte kennisdragers — waarbij ik meteen wil zeggen dat ik daar zelf ook belang bij heb. Maar goed, als politici meer mensen uit de sector zouden spreken en daar een rode draad uit zouden halen, dan zou dat volgens mij leiden tot veel beter beleid dan wat er nu uit die discussies komt.
HPP: Tot slot: hoe kan HPP de jongere generatie beter betrekken? In onze sector zie je toch vaak dat de gevestigde orde de dienst uitmaakt. Wat zou u HPP adviseren om jongeren nadrukkelijker onderdeel te maken van het netwerk?
IvdM: Geef jongeren hun eigen rol, maar zorg ook dat er momenten zijn waarop het senioren-HPP samenkomt met het junioren-HPP. Dat vinden jongeren vaak interessant. Tegelijkertijd is het goed dat de jongere groep ook een eigen geluid kan laten horen.
In het begin zou ik vooral de nadruk leggen op elkaar leren kennen. Bij HPP Senior zijn veel leden al verder in hun carrière, daar kun je sneller de inhoud in. Bij een jongerenafdeling zou de focus in eerste instantie meer moeten liggen op kennismaken, ontdekken en het vak leren kennen. Als je een groep jongeren bij elkaar brengt, ontstaat er vanzelf een community waar talent zich ontwikkelt. Die groeit dan vanzelf door naar senioriteit.
Ik ben zelf ook ooit zo begonnen. In het begin las ik alles, maar stond ik nog een beetje aan de zijlijn. Toch groei je daar langzaam uit, en dat is precies wat je jongeren gunt: dat ze vanuit die eerste stappen hun plek vinden.
HPP: U vertelde volgens mij in een van uw JAJO-blogs over uw eerste ervaring bij de Provada, als vastgoedbroekie…
IvdM: Ja, dat klopt, dat is wel grappig. Veel mensen die toen net als ik jong waren en een beetje vanaf de zijlijn meekeken, ken ik nu nog steeds. En tegenwoordig hebben ze allemaal mooie functies. Dat schept een enorme verbondenheid.
JAJO kort
JAJO (voorheen Janssen de Jong Groep) is een toonaangevende groep van bouwgerelateerde ondernemingen met haar hoofdkantoor in ’s‑Hertogenbosch. Het bedrijf opereert in elke fase van de vastgoed- en bouwcyclus: ontwikkeling, bouw, onderhoud, herstel en urban mining (“oogst”). Met een missie als “Closing the circle, together,” streeft JAJO naar een transitie voor een circulaire, levensvatbare en duurzame bouwsector.
JAJO bestaat uit zo’n 34 zelfstandige werkmaatschappijen, behalve in Nederland ook werkzaam in Polen en de Cariben en telt meer dan 1000 medewerkers.
Kerncijfers